| |
Reizen
is ontmoeten, zeggen ze wel eens. Nou, mooi niet. Want mensen
hebben het druk of ze zitten achter de televisie of ze gaan
naar sport – laatst sprak ik iemand die elke avond de
gym bezoekt, zeven dagen per week! Dus de kans dat je iemand
onderweg tegenkomt, is niet zo groot.
Al dat vlees
Daarom is het met des te meer genoegen dat ik u presenteer:
gesprekken met een monnik, een gewezen smokkelaar en een boer
in ruste. En wat vertelden de drie, onafhankelijk van elkaar?
Dat Brabant veranderd is, enorm veranderd. Ja, dank je de koekoek,
zult u zeggen maar het blijft toch wonderlijk te horen dat de
één in zijn jeugd nog met paard en wagen reed
en de ander op dit moment de gevolgen van de globalisering voelt:
het varkensvlees doet niks meer omdat Japan de import van Deens
varkensvlees heeft verboden waardoor al dat vlees op de Europese
markt moet worden afgezet. Tja, daar woon je dan, tegen de grens
met België, je van geen kwaad bewust en toch het slachtoffer.
Bielzen Mien
Er was meer ellende onderweg en ook nog een slag in het wiel
en rulle zandpaden waarover het onmogelijk rijden was. Maar
toch was het weer heerlijk fietsen, deze negende etappe in
de Ronde van Nederland, van Weert naar Roosendaal. Behalve
interessante ontmoetingen was er de kennismaking met de tuinen
van Mien Ruys – Bielzen Mien maar daarmee doen
we haar schromelijk te kort. En halverwege wachtte het mooie
Hilvarenbeek, met zijn Vrijthof en museum De Doornboom waar
dokter Scheidelaar een boekje opendoet over een dorpspraktijk
in het begin van de vorige eeuw. En wat schrijft hij? Dat
er toen nog heksen waren! Slot van het verhaal: de Bleeke
Heide te Chaam. En daar kraait de victorie maar daarover straks.
Plompverloren op de grond
Een doorsnee zondag in september. Op mijn weg langs de grens
van Budel naar Achterste Brug blijven een paar beelden haken.
Zo gaat de Sint Barbaraweg te Budel-Dorplein (de officiële
schrijfwijze want ooit woonde er een familie Dor naar wie
een plein is vernoemd) de boeken in vanwege de eigentijdse
fontein die ik er zag – een marmeren bol van niet noemenswaardige
afmeting, plompverloren op de grond geplaatst, waarover wezenloos
wat water loopt. Een totaal zinloos geval waarmee de tuincentra
ons land menen te moeten verblijden. Foei! Ook gezien: een
paar mensen die tussen de akkers door een zondagmiddagwandeling
maken. Mooi!
Eigenlijk had ik toen af moeten slaan, ook de
akkers in, want wat zich de daaropvolgende kilometers aan
mij openbaart, zou je gerust een apocalyptisch visioen kunnen
noemen ware het niet dat het op sommige dagen al werkelijkheid
is geworden. Wat ik bedoel, is de enorme vlucht die het recreatief
fietsen heeft genomen – hoe mooi ook het rijwielpad
langs de grens richting klooster, richting Achelse Kluis,
het genot wordt volledig overheerst door ons, door de mens,
door zijn massale voorkomen. Het wordt nog erger bij de kluis
zelf – ooit een oord van afzondering, nu voorzien van
restaurant en brouwerij en ik zag zelfs een huifkar.
Ook nog een tuinkabouter
Als ik, na mij door de rijen wachtenden voor een appelgebakje
te hebben doorgeworsteld, de expositieruimte bereik (zeker
gaan zien, die tentoonstelling over de kluis), kom ik zowaar
een pater tegen, pater Titus. Bijna met medelijden vraag ik
hem of-ie het niet wat druk vindt?
‘Dat valt wel mee’, zegt hij opgeruimd. ‘In
het seizoen komen hier nog veel meer mensen.’
‘Maar’, zeg ik, ‘een klooster is er toch
voor de rust, de stilte, de contemplatie?’
‘Die vind ik toch wel, in mijzelf. En om vijf uur keer
ik terug binnen de muren van het klooster waar buitenstaanders
niet mogen komen. Dus het valt allemaal nog wel mee.’
Helemaal bevredigend vind ik zijn antwoord niet en als ik
op weg naar buiten ook nog een tuinkabouter zie, weet ik het
zeker: nee, zelfs het klooster is niet meer wat het geweest
is. Om pas kilometers verderop mezelf te corrigeren. ‘Kijk,
vroeger verdienden de kloosterlingen de kost via landbouw
en veeteelt. Dat is allemaal stukken moeilijker geworden en
nu doen ze het op een meer eigentijdse manier, via inkomsten
uit toerisme. Daar is helemaal niks mis mee.’ ‘Akkoord.
Maar mag ik het wel een beetje jammer vinden?’
Naast de wei
De nacht doorgebracht in een langgevelboerderij – met
dank aan de buurman die zijn tweede huis vrijwillig ter beschikking
stelde. En dat niet alleen, hij brengt me ook in contact met
Ad Rijkers en met Ad heb ik mijn eerste echte smokkelaar te
pakken, gewezen smokkelaar dan want het speelde zich allemaal
af in en kort na de oorlog toen Ad, inmiddels 69, nog een
jonge avonturier was. ‘Spannend? Jazeker was het spannend’,
vertelt hij in zijn woonhuis aan de Hoeverdijk in Achterste
Brug, een gehucht van niets maar wel met een paar magnifieke
boerderijen en een schuur die zo uit een schilderij van Brueghel
kan zijn gestapt. En dan komen de verhalen.
Over de Belgen die iedere keer met dezelfde smoes kwamen –
‘De shag nat?, zeiden ze dan. Dat komt, die is in het
water gevallen toen we voor de commiezen moesten vluchten.
Onzin natuurlijk. Ze maakten de shag alleen maar nat om hem
zwaarder te maken. Konden ze er meer voor vangen.’ Over
die keer dat de commiezen naast de wei met koeien bleven slapen
– de koeien die die nacht eigenlijk de grens over naar
België hadden moeten worden gesmokkeld maar dat ging
nu natuurlijk niet door. Over Gielke Govers, ‘da was
‘ne beruchte’ en over die keer dat er ’s
nachts op de deur werd gebonsd – ‘De politie.
Huiszoeking. Gingen ze er met de shag vandoor. Nooit meer
iets van gehoord. Dat komt, het was helemaal geen politie.
Het waren oplichters.’ En dan, verrassend: ‘Smokkelen
crimineel? Nee nee, ieder smokkelde voor zijn eigen behoud,
ja, ook Gielke.’ Dacht ik het niet. De Kempen, de Brabantse
zandgronden, die stonden tot diep in de vorige eeuw voor armoede
en een dun belegde boterham.
Donkergroene vuilnisbak
Omdat ik toch in de buurt ben, breng ik de volgende dag een
saluut aan Bergeyk, bekend van Radio Bergeyk (‘En dan
volgen nu de dagelijkse gierberichten’) en het Automuseum
– onder het mom: onderzoekt alles en behoudt het goede.
Maar dat museum zal ik nooit bereiken want in het begin van
het dorp word ik afgeleid door een bordje dat me attendeert
op hetgeen de architect Gerrit Rietveld hier heeft achtergelaten.
Gerrit Rietveld? Hier? Jazeker en nog wel in drievoud, met
een openbare klok en een abri – waarom, zo vraag ik
me af, heeft de dienst Openbare Werken er een donkergroene
vuilnisbak voor gehangen, staat van geen kanten – en
het gebouw van Weverij De Ploeg. Vooral het laatste maakt
indruk, met zijn schaaldak, zijn coulissengevel en de entree
en, zeker niet te vergeten, de omgeving waarin het staat.
Zo mooi
Die omgeving is vormgegeven door Mien Ruys – de landschaps-
en tuinarchitecte die de biels in de Nederlandse tuin introduceerde
en daaraan haar bijnaam dankt. Maar intussen kon deze dame
er wat van, sterker, het vooroordeel dat ik had – de
tuinen van Mien Ruys, bestaat er iets truttigers? –
slaat om in het tegendeel, pure bewondering. Zo mooi wat zij
daar heeft gemaakt, diep in de provincie, zo helder, met strakke
lijnen in de vorm van snoeihagen die enerzijds de ruimte begrenzen,
anderzijds ruimte scheppen. Met een groepje solitaire bomen,
met fraaie doorkijkjes en, jawel, nu eens een fontein die
er toe doet, waarover is nagedacht, die betekenis
heeft – water dat boven uit een bron komt, zich over
verschillende paden, lees levenspaden, verdeelt en weer wordt
verenigd aan de onderkant, lees in de dood. Echt prachtig
en ik ben helemaal gelukkig als ik weer richting grens fiets.
De tuinen van Mien Ruys – top!
Net een stofzuiger
De rest van de dag druk doende om te Hilvarenbeek te geraken,
een fijne opdracht want de tocht voert voornamelijk door het
buitengebied dat hier bestaat uit bossen, enorme bossen, afgewisseld
met wat landbouwgronden. Wel gemerkt dat mijn bandjes net
te dun zijn voor veel zandpaden – ik rij de bovenlaag
stuk en waar ik hem niet stuk rij, is hij vaak al stuk vanwege
de tractoren die er met hun groteske silagewagens overheen
daveren – het is maïstijd. Tijdens een korte pauze
aan de Kapelweg tot de ontdekking gekomen dat het al drie
uur is en ik ben nog niet op de helft. Dat wordt nog afzien,
broeder Vreuls. Kachel vervolgens als een dolle door, passeer
de Abdij van Postel waar zich liefst twee frituren voor de
deur hebben genesteld dus het toerisme heeft ook hier toegeslagen
en zet bij de Reuselse Moeren koers richting noorden, richting
Landgoed De Utrecht. Heb onderweg nog wel tijd om die ene
bosspitsmuis op te merken die mijn weg kruist – net
een stofzuiger, zo sjouwt-ie met zijn snuit over de grond.
Een gouden greep
Als ik tegen zevenen Hilvarenbeek binnenstuif, verkeert het
Vrijthof in diepe rust. Mooi plein, mooie linden en bij herberg
St. Petrus serveren ze werkelijk een kostelijk bordje. Maar
waar slaap ik vannacht? De herberg zit vol en dat andere hotel
ook, dus opnieuw een beroep gedaan op Vrienden van de Fiets
– een gouden greep want Jan en Jo van den Broek bewonen
tegenwoordig weliswaar een villa maar zijn van huis uit boeren.
En zij vertellen mij hoe het was en is geworden – een
levensverhaal dat exemplarisch mag heten voor dat van veel
boeren op de arme Brabantse zandgronden. Het is het verhaal
van de intensivering van de landbouw – toen Jan, inmiddels
73 jaar oud, begon, had-ie een bedrijf met achttien melkkoeien
en honderd mestvarkens. Veertig jaar later zou dat zijn uitgegroeid
tot twee bedrijven met in totaal honderd melkkoeien en duizend
mestvarkens, respectievelijk een vervijfvoudiging en een vertienvoudiging
van het oorspronkelijke aantal!
De andere kant. Op zijn zestigste moest Jan er acuut mee stoppen
- ‘Te hard gewerkt, jao, dao liek ’t wel op.’
En met de intensivering van de landbouw verdween de gezelligheid.
‘Ik herinner me nog, dan fietste ik met de melkkannen
naar de wei en dan zat dáár een boer en daar
een boer en daar … allemaal aan het melken en intussen
praatte je wat met elkaar. Of je reed met paard en wagen en
ja, dan moest dat paard natuurlijk rusten en dan stond er
altijd wel een andere boer met paard en wagen, ook te rusten.
Er was veel meer contact.’ Maar arm was het wel, probeer
ik waarop Jan zegt: ‘Je had toen ook niet meer geld
nodig. Want er was geen radio, geen tv, geen auto.’
Met andere woorden, er was nog niet zoiets als de consumptiemaatschappij
waarvoor we nu allemaal kromliggen.
Op muziekles
Denk nou niet dat het gesprek met Jan en Jo in mineur verliep,
zo van: vroeger was alles beter. Welnee, Jan herinnert zich
het fietstochtje met zijn vrouw (‘Dat deden we vroeger
nooit’) en Jo ziet in de wasmachine ‘het grootste
wonder van de mensheid’. Weliswaar vindt ook Jo dat
‘wij altijd gewerkt hebben’ maar ze heeft nog
energie voor twee, wat heet, ‘ik spring nog over een
driejarige heg’, waarop Jan zegt: ‘Maar dan wel
een die net geknipt is.’ Mooiste herinnering? Als Jo
– ze zit tegenwoordig op muziekles – mij op haar
nieuwe keyboard laat horen wat ze zoal geleerd heeft. ‘t
Was aan de Costa del Sol – tingelingeling – Daar
sloeg m’n hartje op hol – tingelingeling.’
Geen koe in de wei
Vanaf Hilvarenbeek ben ik nog twee dagen onderweg, twee dagen
waarin de bossen langzaam maar zeker plaatsmaken voor cultuurgronden,
in de greep van diezelfde intensieve landbouw. Dat leid ik
af uit de wolken kippen- respectievelijk varkenslucht die
af en toe de neusgaten prikkelen. Maar te zien krijg je die
beesten niet, laat staan de koeien die ook al bij voorkeur
binnen worden gehouden. Echt jammer, het landschap verarmt
er zo door en hoe is het voor die beesten? Ook voor het eerst
gehoord: dat boeren per hectare maïs meer dan 300 euro
subsidie krijgen – logisch dat het Nederlandse platteland
eruitziet als een monocultuur. Zeker als je bedenkt dat die
maïs vooral zo handig is omdat je dan bij wijze van spreken
onbeperkt mest kunt uitrijden. Dan ben je wel gek om een mooi
veldje haver in te zaaien, of rogge of gerst.
Wat ik zeg
Was het daarmee vervelend fietsen? Welnee, en af en toe passeerden
ook aangename verrassingen zoals de beekdalen van Poppelse
Leij en Het Merkske, respectievelijk ten oosten en ten zuidwesten
van Baarle-Nassau. Maar de grootste verrassing wachtte toch
wel in Chaam. Daar word ik opgewacht door de oprichter/voorzitter
van de natuurvereniging Mark en Leij, Johan Schaerlaeckens,
die mij voorgaat naar de Bleeke Heide. En daar heeft zich
volgens velen een wonder voltrokken, het wonder van de terugkeer
van wat verloren was gegaan, van grutto en tureluur, van kemphaan
en kluut en nog zowat soorten van de Rode Lijst. Gevolg van
het feit dat de Bleeke Heide mede op aandringen van Mark en
Leij weer is teruggebracht tot wat het oorspronkelijk was,
een drassig land. ‘Daar’, wijst Johan, een zoon
van deze streek, ‘daar zag ik toen dat toernooiveldje
met die kemphanen. De rillingen liepen me over de rug.’
Kan ik me voorstellen, Johan, en wat ik zeg: de victorie begint
in Chaam.
meer over etappe 9: kaartje
en route informatie
|
|